| De Nieuwe Reporter | 22-02-2012 15:55 Prins Friso wordt wereldnieuws op vrijdagmiddag om 15.23 uur. Volgens Oostenrijkse media is een lid van het Koninklijk Huis bedolven door een lawine, meldt het persalarm. Minuten later krijgt premier Rutte de eerste vraag over een ski-ongeluk in Lech. Nog tijdens zijn persconferentie wordt duidelijk dat het niet om koningin Beatrix gaat of kroonprins Willem- Alexander, maar om diens broer, prins Friso. Teletekst opent in kapitalen. Extra bulletins van het NOS Journaal en RTL Nieuws. Breaking news op CNN. ’s Avonds nog doen de eerste verslaggevers hun stand up bij het ziekenhuis in Innsbruck. Op Twitter gaat het onbevestigde verhaal dat de prins een schedelbasisfractuur zou hebben. Maar als de volgende ochtend ook de zaterdagkranten vele kolommen besteden aan het nieuws, blijkt dat ’we’ niet alles willen weten. Het brein van de prins Prins Friso heeft geen schedelbasisfractuur, schrijft verslaggeefster Jannetje Koelewijn op de voorpagina van NRC Handelsblad (’Hoe houdt het brein van de prins zich?’). Koelewijn was toevallig in het ziekenhuis, waar haar man de arts van de prins sprak. De echtgenoot van Koelewijn is de neurochirurg Kees Tulleken. Hij was in Innsbruck om een cursus te geven aan jonge vakgenoten. Nog dezelfde dag vallen collega-journalisten en vooral veel lezers van NRC over Koelewijn en Tulleken heen. De verslaggeefster ’schond de privacy’ van prins Friso. Haar man had zich aan zijn beroepsgeheim als medicus moeten houden. Als het NOS Journaal de verslaggeefster laat vertellen wat zij van de behandelend arts heeft gehoord – de grootste zorg is de langdurige ademnood van de prins – krijgt ook dat Journaal ervan langs. Dat is vreemd. Koelewijn heeft zich gehouden aan de ethische regels in de journalistiek. Tijdens het gesprek tussen haar man en de arts in het ziekenhuis, maakte zij zich bekend als journalist. Ik schrijf dit op voor mijn krant, zei ze erbij. Daardoor valt hooguit de behandelend arts iets te verwijten; hij had de Nederlandse journaliste natuurlijk moeten wegsturen, of zijn mond moeten houden. Koelewijn had het geluk aanwezig te zijn in het ziekenhuis en deed wat elke journalist in haar schoenen gedaan zou hebben. Ze bracht nieuws, of ten minste nuancerende feiten bij het nieuws: nog niemand had uit gezaghebbende bron kunnen melden wat de toestand van prins Friso was, anders dan dat hij ’stabiel, maar niet buiten levensgevaar’ was. De kwestie-Ruben In de golf van kritiek op NRC (’Riooljournalistiek’) is de vergelijking getrokken met de kwestie-Ruben. Nadat het jongetje Ruben als enige de vliegtuigcrash in Tripoli overleefde, kreeg een verslaggeefster van De Telegraaf hem bij toeval aan de telefoon omdat een arts zijn gsm doorgaf. Ze stelde het jongetje enkele vragen en schreef een ’exclusief interview’. Het kostte het ochtendblad talrijke abonnees. Zij vonden dat de krant de privacy van Ruben had moeten respecteren. Ook de Raad voor de Journalistiek meende dat de krant te ver ging, vooral omdat Ruben een kind was, en een slachtoffer. Hij verdiende dubbele bescherming. Prins Friso heeft ook recht op privacy, maar dat ligt toch anders. Ook al is hij na zijn huwelijk met Mabel geen lid meer van het Koninklijk Huis, hij is nog steeds lid van de koninklijke familie. De Oranjes moeten zich, in goede en slechte tijden, belangstelling van de pers laten welgevallen. Dat realiseert ook koningin Beatrix zich, die de pers in Lech ook niet krampachtig op afstand houdt. Misplaatste verontwaardiging Vreemd en misplaatst aan de kwestie-Koelewijn is de verontwaarding van collega’s en lezers. Normaliter verlangen we dat journalisten nieuws brengen en meer doen dan gedwee opschrijven wat de Rijksvoorlichtingsdienst kwijt wil. Ook als er niets nieuws te melden is over prins Friso, volgen we met miljoenen tegelijk het nieuws. Maar als een arts in Innsbruck zijn mond voorbijpraat – allicht met goede bedoelingen, hij bracht betrekkelijk goed nieuws – en een journaliste dat opschrijft, lijken we ons ineens te schamen voor onze eigen nieuwsgierigheid. Dit stuk verscheen op 21 februari als opiniebijdrage in Dagblad van het Noorden. |
| De Nieuwe Reporter | 22-02-2012 14:56 Nederlandse journalisten slaan de handen ineen met Afrikaanse vakgenoten om samen onderzoek te doen. Niet alleen daar, maar ook in Nederland. Dat resulteert in tal van onthullende verhalen, bijvoorbeeld over de Somalische gemeenschap in Nederland, of de Nigeriaanse bedelmail-organisatie. Tijdens het VVOJ Café vertellen Afrikaanse en Nederlandse onderzoeksjournalisten over hun ervaringen, de valkuilen en wat de grenzeloze samenwerking heeft opgebracht. Sprekers: o.a. Evelyn Groenink (Forum for African Investigative Reporters, FAIR), Idris Akinbajo (onderzoeksjournalist Nigeria), Bjinse Dankert (GPD), Anneke Verbraeken. Wanneer: maandagavond 5 maart 2012 Tijd: 20.00 uur (zaal open 19.30 uur). Na afloop wordt er geborreld. Waar: Grand Café-restaurant 1e Klas, Amsterdam Centraal Station Kijk op de website van de VVOJ voor meer informatie en aanmelding. |
| De Nieuwe Reporter | 22-02-2012 10:56 “Kom vooral nog eens terug. Kun je meteen checken of we er nog zijn.”
Toen ik een dik jaar geleden James O’Shea van het Chicago News Cooperative bezocht, was hij vol overtuiging over zijn toegevoegde waarde op de nieuwsmarkt. Maar tegelijkertijd hield hij – lachend – een slag om de arm met betrekking tot zijn voortbestaan op langere termijn. Nu, ruim twee jaar na de oprichting, gooit O’Shea de handdoek in de ring. Ondanks zijn uitnodiging, heeft het dus weinig zin meer om terug te keren.
O’Shea had verschillende verdien-ijzers in het vuur, maar was alles bij elkaar toch te afhankelijk van donaties en welwillendheid. Dat blijkt voor een enkele keer soms wel te werken, zeker wanneer je de charme en het netwerk van O’Shea hebt, maar voor de lange termijn is het onvoldoende als structurele basis.
Journalistiek avontuur in Chicago
|
| De Nieuwe Reporter | 21-02-2012 12:15 De NVJ organiseert een debat met de titel ‘Regio in de Uitverkoop’ waarin regionale en landelijke politici, journalisten, werkgevers en wetenschappers met elkaar in debat gaan over de regionale journalistiek als wezenlijke maatschappelijke functie en de rol die de verschillende belanghebbenden spelen of zouden moeten spelen. Sprekers tot nu toe zijn Piet Bakker, lector Hogeschool Utrecht; Anouchka van Miltenburg, mediawoordvoerder VVD; Jasper van Dijk, mediawoordvoerder SP en Janette Luichies, voorzitter sectie Dagblad NVJ. Uiteraard zijn ook de directies van TMG (Harry de Wit (ovb)) en Wegener (Truls Velgaard (ovb)) gevraagd om hun visie te geven. Kijk voor meer informatie en opgeven voor deelname op de website van de NVJ. |
| De Nieuwe Reporter | 21-02-2012 11:33 Niet alleen het mediacircus tuimelt de digitale toekomst in, ook journalistieke opleidingen staan woelige tijden te wachten. Ze zullen net zo anders moeten worden als het vak waar ze toe opleiden en hardhandig kennis gaan maken met de netlogica, die in diverse bedrijfstakken hele industrieën wegvaagt of transformeert en alle ruimte biedt aan slimme, web-savvy nieuwkomers. In het oog van die storm staat nu de journalistiekopleiding van Hogeschool Windesheim, Zwolle. Eind 2011 concludeerde een visitatiecommissie dat delen van de opleiding onder de maat zijn. Het bestuur van de hogeschool aarzelde niet en besloot tot nadere inspectie van de bekritiseerde eindproducten. De NVAO, toezichthouder op de kwaliteit van het hoger onderwijs, bood enig soelaas, op voorwaarde dat er per april een overtuigend herstelplan ter tafel ligt. Drie commissies maar liefst zijn nu aan de slag om voeding te leveren voor die reparatie. Ze richten zich op de kwaliteit van stageverslagen, het niveau van de eindwerkstukken en suggesties voor strategische heroverweging. Veranderplan Grote vraag is echter, of het wel zo zinvol is om energiek lekken boven water te halen en ijlings te dichten. Iedere crisis biedt ook kansen, en voor de journalistiekopleiding in Zwolle zou dit wel eens hèt moment kunnen zijn om te kiezen voor een fundamenteel veranderplan, in plaats van een opportunistisch herstelplan. De inspiratie daarvoor zou niet zozeer moeten komen uit de aangereikte onderzoeken en rapportages, maar uit een serieuze analyse van het mediaveld in volle verandering. Want hier zit de kern van de problematiek: vak en opleiding daartoe sporen steeds minder. De mediawereld diversifieert in rap tempo, zowel in de breedte als diepte, en dat verdraagt zich niet met het eenheidsproduct dat de HBO-opleidingen de facto bieden. Decennialang was het speelveld voor het media-onderwijs helder. De scholen in Utrecht, Tilburg, Zwolle en Ede (echt Hollands: verzuild ontzuilen!) waren en zijn de uitdrukking van een professionaliseringsslag van een voorheen maatschappelijk gebonden beroep. Het vrijvechten van politieke en religieuze patronage ging gepaard met de definitie van kwaliteitseisen en vakspecifieke normen, en de hbo-opleidingen bleken het voor de hand liggende vehikel voor het borgen van de vereiste professionaliteit. Netwerksamenleving Dit overzichtelijke beeld vervaagt echter snel, nu de media bij iedereen, voor iedereen en van iedereen zijn. Het journalistieke metier behoorde vanouds tot de transportsector: het vakkundig verplaatsen van berichten van A naar B. Maar in de netwerksamenleving is die rol als verbindingsofficier niet langer vitaal; nieuws is nooit meer dan een muisklik ver weg, beschikbaar op ieder moment van de dag. De kerncompetenties – vergaren, selecteren, bewerken en presenteren – blijven relevant, maar behalve het journaille is daar vandaag de dag zo’n beetje iedereen mee aan de slag, als onderdeel van het dagelijkse mediadieet. Andersoortige journalistiek Dit alles maakt de journalistiek niet overbodig, maar wel andersoortig. Enerzijds dwingt het tot een verdieping van het vak: veel meer nadruk op de samenhang tussen de feiten dan op de feitenproductie zelf, op analyse van complexe verhoudingen en het boven water brengen van verborgen waarheden. Een focus dus op de inhoudelijke dimensie, de ‘content’ met aanwijsbare meerwaarde. Tegelijkertijd is er ook een marktbeweging die inzoomt op de productiekant, en de vaardigheden benadrukt die vereist zijn voor het snel, flexibel en routineus aanleveren van multimediale producten. Traditionele scheidslijnen tussen redactioneel en commercieel en tussen inhoud en techniek doen bij die laatste variant steeds minder ter zake. De eeuw van de letterbak, met alle media-aspecten keurig gerangschikt in afzonderlijke vakjes, is voorbij: leve de eeuw van de collecties, met hybride genres, evoluerende rapportages en multitasking als vanzelfsprekendheden. Analyse en bricolage, twee toekomstbeelden, allebei waardevol maar totaal van elkaar afwijkend, en nauwelijks in één onderwijsprofiel te vangen. Te veel en te weinig kwaliteit Eigenlijk is het best navrant. Nu de HBO-opleidingen jaren hun best hebben gedaan om het centraal vastgestelde opleidingsniveau stap voor stap te verbeteren en consolideren, dringt zich toch de conclusie op dat ze allengs in een situatie geraken waarin enerzijds te veel, anderzijds te weinig kwaliteit wordt geleverd. Voor de shovelware, zoals de Engelsen zeggen, het aggregeren en combineren van digitale fragmenten, is het niet nodig om tijdens je scholing belast te worden met diepzinnige beschouwingen. Voor de analytische en reflectieve capaciteiten die vereist zijn bij diepgravende journalistiek daarentegen, biedt het HBO onvoldoende aanbod en kwaliteit. Het mag dan ook niet verbazen dat de universitaire journalistiekopleidingen, gestaag groeiend in aantal en omvang, een stevige marktpositie hebben verworven, en het niet-journalistieke communicatie-HBO en -MBO dankbaar het andere groeisegment van de mediamarkt voor zijn rekening neemt. HBO+ en MBO+ Tussen tafellaken en servet, dat voelt niet lekker, en de Windesheim-opleiding zou er goed aan doen snel uit die oncomfortabele tussenpositie weg te stappen. Dat kan bijvoorbeeld door het huidige eenheidsprofiel op te splitsen in HBO+ en MBO+. Het HBO+ zou de concurrentie met de academische opleidingen aan moeten gaan. Met een daarvan onderscheiden vakkenpakket, dat wel, maar van een vergelijkbaar niveau. Dat betekent onvermijdelijk minder studenten, beter gekwalificeerde docenten en een hoger ambitieniveau. Het MBO+ kan zich bevrijden van het journalistieke keurslijf en zich volledig concentreren op het in allerlei organisaties nu populaire content-management. Die variant vergt extra aandacht voor portfolio-werken, ondernemerschap en slim netwerken. Deze acties vragen om visie en bestuurlijke moed, maar zijn wel de beste garantie dat het Windesheim-opleidingspalet de komende jaren opnieuw aansluiting vindt bij de turbulente, zich heruitvindende informatiesector. Die slotsom geldt overigens niet exclusief voor de Zwolse opleiding maar zou tot handelen moeten aanzetten in het gehele journalistiek-HBO. Barrières Gaat het er ook van komen? Gezonde scepsis is op zijn plaats. Drie overwegingen. (1) Fundamenteel veranderen is altijd riskant, veel werk, en kent een afbreukrisico. Je moet het maar durven. Daarom vallen hele ondernemingen liever met open ogen over de rand. (2) Het zittende personeel zit, en zal niet spontaan gaan lopen voor anders gekwalificeerde collega’s. Veelal volgen rationalisaties voor de overbodigheid van de hele operatie. Jongere collega’s willen nog wel een forcing doen, maar voor velen is dat geen aanlokkelijk perspectief. (3) Het werkveld is ambigue. Enerzijds vraagt het om directe inzetbaarheid, zonder die kwaliteit overigens nauwkeurig te definiëren. Anderzijds wil men graag dat het verse bloed ook de toekomst veiligstelt, en dus met de nodige innovatieve impulsen binnenkomt. Ga er maar aan staan. In ieder geval kan van een sector die zo structureel in verwarring is nu niet worden gevraagd, uit te spreken wat wijsheid is voor het journalistieke onderwijs. Een ding is zeker: de tucht van de markt is onverbiddelijk. Het journalistieke HBO groeide en bloeide de afgelopen decennia parallel aan de heyday van mediaprofessionaliteit, was daar een van de meest tastbare uitdrukkingen van, en komt onherroepelijk onder druk nu die professionaliteit, de exclusieve informatiebehandeling door een specifieke groep daartoe gericht opgeleiden, niet meer de enige norm is. De professionele journalistiek maakt zich zonder morren op om een blijvend waardevolle plaats te verwerven temidden van een kakofonie van professionele communicatie, allerlei uitingen van embedded publishing, bloggende mediagebruikers en twitterende dwaallichten. Nu het journalistieke onderwijs nog. |
| De Nieuwe Reporter | 19-02-2012 20:22 NRC-journaliste Jannetje Koelewijn kreeg door tussenkomst van haar man (neurochirurg Kees Tullekens) details over de gezondheidstoestand van prins Friso te horen. Die scoop leidde tot een inmiddels stevig bekritiseerd artikel op de voorpagina. De hoofdredacteur van NRC zegt in antwoord op kritiek dat er een afweging is gemaakt tussen het recht op privacy en het recht op informatie. “Omdat het wel degelijk nieuwe informatie toevoegt aan het verhaal van het ski-ongeluk en omdat het gegevens die tot nu toe voor waar werden aangenomen ontkrachtte of nuanceerde. Hier botsen, en daar waren we ons gisteren natuurlijk bewust van, het recht op privacy van de patiënt met het recht op informatie.” Ik hoop dat Peter Vandermeersch de komende weken meer ruimte neemt voor uitleg en argumentatie. Een journalistieke afweging is meer dan met genuanceerde zinnen vertellen dat je een afweging hebt gemaakt. Afwegen, het werkwoord zegt het al, heeft te maken met het toekennen van gewicht aan zaken, en die vervolgens evalueren. Dat gebeurt nu niet, of op hooguit op schamele wijze, of met zwakke gelegenheidsargumenten. Dat schaadt NRC en de journalistiek. Waarom? Uw belang versus Friso’s privacy Vandermeersch spreekt over een belangenafweging tussen recht op privacy en recht op informatie. De belangrijkste vraag is waarom het recht op privacy hier moet wijken. Welk maatschappelijk belang is daarmee gediend? Er zijn geruchten over een schedelbasisfractuur, die NRC wilde ontkrachten. In het geval van Barack Obama of zelfs premier Mark Rutte is dat helemaal te rechtvaardigen: hun medische toestand – mocht ie plots verslechteren – bepaalt de politieke stabiliteit en toekomst van de regering. Friso is weliswaar een publiek figuur, maar zijn maatschappelijke positie is dusdanig (geen troonopvolger, geen regeringsinvloed) dat zijn medische toestand of zelfs onverhoopt overlijden geen politieke of maatschappelijke gevolgen heeft. Hooguit emotioneel. Nederland leeft mee, we zijn nieuwsgierig, en de premier stelt zijn vakantie uit. Er wordt dus geen echte belangenafweging gemaakt, tussen de impact en het maatschappelijk belang van de informatie die wordt gebracht, en de belangen van prins Friso. Beroepsgeheim versus nieuwsplicht NRC besluit informatie openbaar te maken, die afkomstig is uit de door medische beroepsethiek beschermde relatie tussen patiënt en arts. Die relatie werd bewust geschonden. Daarmee is het in zekere zin informatie met een problematische herkomst. Dat de journaliste zich direct bekend maakte is een prima daad van transparantie. Maar dat Koelewijn de RVD daarmee uitsluitend voor zou zijn, is de vraag. Het hangt af van wat de prins, koninklijk huis en RVD uiteindelijk besluiten om openbaar te maken – die keuzevrijheid is de kern van het openbaar maken van persoonlijke medische informatie. Ook het argument dat Koelewijn slechts direct openbaar maakt wat ze weet en dat dat zelfs de taak of plicht van een journalist is, is geen afweging. “Ik ben journalist, en wij zijn er toch om alles wat we weten te openbaren. Het moreel ethische probleem ligt vooral bij de artsen”, zegt Koelwijn in een interview met BNR Nieuwsradio. Het lijkt zo alsof een journalist geen andere morele verantwoordelijkheid heeft dan altijd vertellen wat ze weet – het nieuws brengen. Het is zeer de vraag of dat zo is. Waarom zou Vandermeersch anders stellen dat NRC niet alles bracht wat bekend was? Er wordt ook hier geen echte afweging gemaakt tussen belangen van journalistiek, publiek en prins Friso. De verantwoordelijkheid van de journalist lijkt te bestaan uit het gehoorzamen van een dwingend universeel belang: informatie brengen. Relatie tussen journalist en bron Tot slot een voetnoot, die de casus een extra dimensie geeft. Koelewijn en Tullekens zijn een echtpaar. De journalist beschrijft haar partner als bron. De relatie tussen bron en journalist is een ingewikkelde. Van journalisten wordt distantie gevraagd, zodat ze zonder last of ruggespraak kunnen werken. Het is moeilijk om tegelijkertijd lief te hebben en te bekritiseren. Het kan ook schijn van belangenverstrengeling wekken. Om die reden werd een vriendin van staatssecretaris Henk Bleker – een NRC-journaliste – naar een andere redactie overgeplaatst. Dat er iets ongemakkelijks schuilt in de relatie, schemert een beetje door in het artikel over Friso’s brein: Kees Tullekens naam wordt nergens genoemd, ook niet in Vandermeersch redactionele column. Tullekens is een gezichtsloze ‘mijn man’. Alles moet van NRC bekend worden, maar dat aspect even niet. De lezer moet zelf gaan Googelen. Sommige media, zoals de New York Times verbieden relaties tussen journalisten en de bronnen van het nieuws dat ze coveren. “To avoid conflicts, staff members may not furnish, prepare or supervise news content about relatives, spouses or others with whom they have close personal relationships. (…)” Uitzonderingen op de regel zijn altijd mogelijk, gewoon omdat de omstandigheden spontaan ontstaan. Maar het maakt het verhaal wel ingewikkelder, en daarmee afwegingen en rechtvaardigingen. Het is bijvoorbeeld onduidelijk of beiden naar het ziekenhuis gingen vanwege Tullekens professionele interesse, of een geplande journalistieke missie. Doet dat er iets toe? Wel als vervolgens de rechtvaardiging is dat de journalist toevallig ter plaatse was. Intentie verandert alles. Er valt kortom meer uit te leggen dan ‘we brachten het nieuws’, en daarvoor moest privacy van de prins wijken. Of daarmee de primeur al dan niet te rechtvaardigen is, hangt af van de afwegingen en argumenten van journalist en hoofdredactie. Tot nu toe weten die hun zaak niet goed te bepleiten. Dit artikel verscheen eerder op de weblog van de auteur. |
| De Nieuwe Reporter | 19-02-2012 17:59 ‘Vuile stinkmazzelaars van de NRC’, twitterde Volkskrant-columniste Sylvia Witteman kort na het ski-ongeluk van Friso. ‘Hebben stomtoevallig Jannetje Koelewijn ter plaatse in Innsbruck. En haar man is ook nog neurochirurg.’ En ja hoor. Vandaag meldde Koelewijn de ins en outs van de toestand van Friso. Gehoord van de behandelend arts, na bemiddeling van haar echtgenoot. Het NRC kwam met een verantwoording, want op de redactie had men zich echt even afgevraagd of het openbaar maken van de CT-scans van een adellijke schedel eigenlijk wel kies is. Waar deed het me toch aan denken? Opeens wist ik het. Aan Ruben natuurlijk. Het jongetje dat twee jaar geleden als enige de vliegramp in Tripoli overleefde, en toen de wakkerste krant van Nederland aan de lijn kreeg. Vuile stinkmazzelaars van De Telegraaf. Jacht op het jongetje Ik heb de zaak eens teruggezocht in de archieven: destijds was het NRC er als de kippen bij om dat te veroordelen. ‘In hun jacht op het jongetje (…) hebben enkele media alle resterende terughoudendheid laten varen’, beschikte de krant op 14 mei in een hoofdredactioneel commentaar. En intussen liet de krant zijn columnisten los: ‘ranzig’ (Jan Blokker), ‘slachtofferporno’ (Youp), ‘hypocriet, met slijm overdekt’ (Elsbeth Etty). Maar is het je naar het ziekenhuis spoeden om daar de behandelend arts uit te horen nou wel zo heel anders? Het is leuk om de verklaringen van beide hoofdredacties er eens bij te pakken. (hieren hier die van De Telegraaf). Volgens beide kranten was het echt toeval dat ze opeens zoveel aan de weet kwamen. Het NRC: ‘Een van onze meest ervaren journalisten [was] toevallig in het ziekenhuis.’ De Telegraaf: ‘De journaliste belde donderdag met een van de behandelend artsen van de jongen, die zijn mobiele telefoon plotseling doorgaf.’ Narigheid Gut, wat een narigheid. Je zit zomaar wat rond te bellen, krijg je opeens Ruben aan de lijn. Of je loopt op vakantie toevallig een ziekenhuis in, kom je daar opeens de behandelend arts van Friso tegen. Tja, shit happens. En dan? Beide kranten zijn zich natuurlijk zeer bewust van hun verantwoordelijkheid. De Telegraaf in 2010: ‘De hoofdredactie respecteert de oproep (…) om terughoudendheid te betrachten in de contacten met nabestaanden.’ Het NRC koos haast dezelfde woorden: ‘Hier botsen (…) het recht op privacy van de patiënt met het recht op informatie. Daarom stelden we ons terughoudend op.’ Maar goed, daarna toch maar publiceren: dat is immers belangrijk voor de lezer, verdedigden beide kranten zich. ‘Omdat Ruben symbool van leven is in deze enorme tragedie’, aldus De Telegraaf. ‘Omdat het wel degelijk nieuwe informatie toevoegt (…) en gegevens die tot nu toe voor waar werden aangenomen ontkrachtte of nuanceerde’, volgens NRC. Zwaarwegend belang De Telegraaf de emotionele troost, het NRC de accurate informatie. Een zwaarwegend belang. En dat je als krant met zoiets lekker scoort, daarover hoor je het op dit soort momenten natuurlijk niet te hebben. Confirmation bias, heet zoiets in de psychologie: de drang om achteraf recht te praten wat toch een beetje krom is. Want laten we wel zijn: zo vreselijk belangrijk is die informatie van Friso’s schedel nu ook weer niet (over een paar dagen horen we het heus wel langs officiële weg), net zo min als het voor de troost der natie is zo enorm belangrijk was om te weten dat er een jongetje genaamd Ruben is die de vliegramp heeft overleefd. Hoogdravende prietpraat Eerlijk is eerlijk, ik had echt wel anders gepiept als ík toevallig in Innsbruck op dat neurologencongres was geweest. Met rode wangen had ik dan verslag gedaan van de zaak. In geuren en kleuren had ik u alles verteld over Friso’s schedeldak en de twintig minuten van zuurstof gedepriveerde hersenen daaronder. Maar ik hoop dat ik u niet achteraf met allerlei morele hoogdravende prietpraat had overgoten om mij te verantwoorden. ‘Val met mijn neus in de boter’, zou ik u via Twitter te kennen geven. ‘Ben stomtoevallig ter plaatse in Innsbruck. Vuile stinkmazzelaar die ik ben!’ Deze blogpost is eerder gepubliceerd op NWTonline. |
| De Nieuwe Reporter | 17-02-2012 15:29 In het toneelstuk ‘Breaking the News‘ richt theatergezelschap Orkater het vizier op de politieke journalistiek. En meer specifiek op de relatie tussen politieke journalisten en voorlichters. De makers kwamen op het idee toen ze tijdens het maken van hun eerdere voorstelling Kamp Holland, zagen hoe Maxime Verhagen de pers in Afghanistan met een leugentje probeerde te ontlopen. Hun nieuwsgierigheid werd verder aangewakkerd toen ze een nieuwsbericht in NRC Handelsblad lazen over het aantal voorlichters in Nederland. Leendert van der Valk interviewde Leopold Witte, een van de schrijvers van het toneelstuk. “Journalisten moeten de macht controleren, maar we vroegen ons af: kunnen ze dat nog wel? En als ze dat niet kunnen, functioneert de democratie dan nog zoals het moet?” |
| De Nieuwe Reporter | 17-02-2012 12:01 Op de website van Het Parool worden allerlei abonnementen aangeboden – vast, proef, student, cadeau – maar één soort ontbreekt: het weekendabonnement. Een mailtje naar abonnementen@parool.nl wordt prompt beantwoord: “Wij bieden weekendabonnementen maar heel beperkt aan: alleen buiten Amsterdam en omstreken”. Dat is dom van Het Parool.
Het flexibele abonnement is namelijk een zeer succesvolle innovatie: zaterdag, vrijdag & zaterdag, zaterdag & zondag, of zelfs vrijdag, zaterdag & maandag – iets waarop De Telegraaf nu inzet. Over dat succes hieronder meer. Waarom Het Parool er niet aan wil, is trouwens een schoolvoorbeeld van hoe Nederlandse uitgevers met innovatie omgaan: de angst dat een vernieuwing het bestaande product bedreigt (kannibalisatie) is vaak groter dan het geloof in het nieuwe product zelf.
Innovatie op de dagbladmarkt
Wie in gezelschap van digitaal geschoolden begint over dagbladinnovatie, kan op schampere opmerkingen en meewarige blikken rekenen. ‘Dode bomen’ zijn in deze kringen niet populair terwijl het idee dat die sector in staat is tot innovatie als zeer onwaarschijnlijk wordt gezien. Maar wie de veranderingen op Nederlandse dagbladmarkt van de afgelopen decennia overziet, kan moeilijk volhouden dat er niets veranderd is.
In periode die begint met de introductie van internet kunnen probleemloos zo’n 30 verschillende soorten innovaties worden geïdentificeerd die in Nederland zijn geïntroduceerd. Een deel van deze innovaties heeft zich op het digitale terrein afgespeeld (nieuwswebsites, mobiele diensten, websites voor specifieke doelgroepen, lokale community-sites, iPad-apps), maar daarnaast introduceerde men nieuwe gratis en betaalde titels en magazines, investeerde men in radio- en tv-stations, en zette men in op de marketing via welkomstcadeaus voor nieuwe abonnees, en boeken, cd’s en dvd’s voor bestaande lezers.
Impact
Het product zelf onderging formule- en formaatwijzigingen (tabloid, Berliner), er werden bijlagen en weekendmagazines toegevoegd, regio-edities en zondagskranten geïntroduceerd en via flexibele abonnementen trachtte men ook de niet-dagelijkse lezer te verleiden. Ook werd de uitgeeforganisatie ingrijpend veranderd: er werd gefuseerd, samengevoegd, samengewerkt of juist afgescheiden; nieuwe eigenaren zetten andere strategieën uit terwijl hoofdredacteuren nieuwe frisse winden lieten waaien, geïntegreerde newsrooms werden geïntroduceerd of juist opgeheven.
Het succes of het mislukken van innovaties kan afgemeten worden aan de impact op oplage. Dat geldt natuurlijk niet voor alle innovaties, maar als men overschakelt op tabloid, flexibele of digitale abonnementen invoert, zou je dat aan de oplage moeten kunnen zien. Voor het totale – nog niet afgeronde – onderzoek moeten zoveel mogelijk verschillende innovaties onderzocht worden. Hier analyseren we er drie: de tabloid-switch, de flexibele en de digitale abonnementen.
Digitaal
Om met het laatste te beginnen: dat gaat moeizaam. Zelfs na een aantal jaren en na de eerste iPad-abo’s komt de digitale abonnering maar langzaam van de grond, afgezien van NRC Handelsblad waar sinds 2006 een gestage groei te zien is (van ruim 6000 naar 10.000). Andere kranten laten veel lagere aantallen ‘echte’ abonnees zien. Bij Reformatorisch Dagblad en Volkskrant zijn dat er minder dan 5000 – zonder de deelabonnementen van de Volkskrant die de weekend-abonnees er gratis bijkrijgen. Het FD doet gezien z’n betrekkelijk lage oplage wel goede zaken op digitaal gebied. Leeuwarder Courant en Dagblad van het Noorden verkopen vooral digitale abonnementen tegen een extra lage actieprijs. Titels als De Telegraaf en BN De Stem verkopen wel digitale en iPad-edities maar laten die oplage niet controleren door het HOI – geen aanwijzing dat het hier om enorme oplages gaat.
|
| De Nieuwe Reporter | 16-02-2012 07:26 ‘Voorverpakt nieuws’ is sinds het veschijnen van het boek Flat Earth News van Nick Davies een hot topic. Journalisten zouden in toenemende mate persberichten klakkeloos overnemen. Tijdsdruk, krimpende redacties, bezuinigingen, en toenemende concurrentie zouden de oorzaak zijn van deze ‘churnalism’. Om erachter te komen of hiervan ook sprake is in Vlaanderen, deden wij een langjarig onderzoek. We richtten ons op buitenlandnieuws omdat men er vaak van uitgaat dat besparingen zich hier het meest laten voelen (bijvoorveeld snijden in het aantal correspondenten), en dat journalisten daardoor steeds vaker naar ‘voorverpakt nieuws’ zoals persberichten zullen grijpen. Bovendien is er de laatste jaren een nieuw optimisme gegroeid rond sociale media, die redacties een antwoord zouden kunnen bieden op de groeiende afhankelijkheid van een beperkt aantal bronnen. Sociale media bieden namelijk nieuwe mogelijkheden voor een gevarieerde nieuwsgaring. Vooral op het vlak van buitenlandnieuws krijgen journalisten de kans om bij wijze van spreken de hele wereld te betrekken bij het schrijven van een nieuwsbericht. Methode van onderzoek Het onderzoek bestaat uit twee inhoudsanalyses van de vier belangrijkste Vlaamse kranten (De Standaard, De Morgen, Het Nieuwsblad en Het Laatste Nieuws) in de periode van 1995 tot en met 2010. Het grootste verschil tussen de eerste en de tweede inhoudsanalyse ligt in het feit dat we voor de eerste studie enkel de output (2229 nieuwsberichten) onderzocht hebben, terwijl we in de tweede studie een vergelijking hebben gemaakt tussen wat journalisten binnenkrijgen (de input: 138 persberichten van Artsen Zonder Grenzen) en wat dat oplevert als nieuwsoutput (105 nieuwsberichten). Met de tweede inhoudsanalyse konden we dus ook de bronnen onderzoeken die journalisten heel vaak ‘vergeten’ te vermelden in hun artikelen. Zij lopen er doorgaans niet mee te koop dat hun artikel een gedeeltelijke of volledige overname is van een persbericht zonder dat ze daaraan zelf een (beperkte) journalistieke bijdrage geleverd hebben. Wie voert het hoogste woord? Het onderzoek toont aan dat Vlaamse journalisten gemiddeld niet meer dan 1 bron per artikel citeren. Het lijkt er met andere woorden op dat het Vlaamse buitenlandnieuws in termen van citaten regelmatig een eenzijdige blik op de gebeurtenissen schetst. Verder blijkt dat politici met grote voorsprong het hoogste woord voeren in het Vlaamse buitenlandnieuws (in bijna twee keer zoveel artikelen (29%) geciteerd als de tweede in de rangschikking). In tegenstelling tot de verwachtingen is het echter opvallend dat burgers de tweede plaats in de rangschikking innemen (16%), en op die manier dus een belangrijke aanvulling vormen op het ‘officiële’ nieuws zoals dat ingevuld wordt door institutionele actoren die dikwijls routinecontacten onderhouden met journalisten. De top vijf wordt vervolledigd door andere institutionele actoren, namelijk de overheid (16%), bedrijven (10%) en experts (9%). Er werden echter weinig tot geen verschuivingen in de onderzochte jaren waargenomen. Transparantie De beide studies tonen aan dat Vlaamse journalisten maar weinig bronnen raadplegen bij het schrijven van hun nieuwsberichten, of dat ze in elk geval toch maar in beperkte mate verwijzen naar de gebruikte informatiebronnen. Zo blijkt uit de eerste studie dat er gemiddeld minder dan 1 informatiebron per artikel genoemd wordt. Bovendien lijken de geraadpleegde bronnen slechts in beperkte mate persberichten of persconferenties te zijn (nog geen 2% van de artikelen). De verdiepende input-output-analyse, waarbij persberichten vergeleken werden met de daarop gebaseerde nieuwsberichten, toont echter aan dat 40% van de onderzochte persberichten resulteerden in nieuws, en dat bovendien ook in 80% van die nieuwsberichten geen enkele melding wordt gemaakt van het feit dat een persbericht aan de basis ligt van het artikel. Verder stelden we vast dat redacties minder vaak een journalistieke auteur vermelden in de creditline wanneer ze geen extra informatie verzameld hebben als aanvulling op het persbericht. Gezien de eerste studie aantoonde dat een kwart van de artikelen geen auteursvermelding bevat, kunnen we bijgevolg verwachten dat deze artikelen deels of volledig overgenomen zijn van persberichten. Ten slotte blijkt dat de transparantie in Vlaamse kranten is afgenomen tussen 1995 en 2010: journalisten vermelden steeds minder vaak dat ze in artikelen informatie gebruikt hebben uit persberichten van Artsen Zonder Grenzen. Positieve constatering Toch hoeven we zeker niet te wanhopen, want de input-output-analyse leverde ook een aantal positieve vaststellingen op. Zo bleek dat driekwart van de persberichten voor minstens de helft geschreven of herschreven zijn door journalisten. Hoewel het persbericht in dergelijke gevallen dus weliswaar aanleiding heeft gegeven tot het schrijven van een nieuwsbericht, wordt de inhoudelijke invulling vooral door de journalist zelf bepaald. Dat blijkt ook uit de bevinding dat in bijna driekwart van de artikelen bijkomende informatie ter aanvulling van het persbericht verzameld is door de journalist, en dat is in de onderzochte periode toegenomen. Enige nuancering is op zijn plaats aangezien deze aanvullende informatie vooral uit feiten en reacties bestaat en veel minder uit meer diepgravende informatie zoals achtergrondinformatie of kritische evaluaties. Wat betreft sociale media bevestigt het onderzoek de bevindingen van eerdere studies, namelijk dat ze in elk geval tot 2010 nog geen rol van betekenis spelen in het dagelijkse nieuwsproductieproces. Conclusie Een belangrijke conclusie van dit onderzoek is dat er de afgelopen 15 jaar weinig tot geen verschuivingen vast te stellen zijn in het bronnengebruik van Vlaamse journalisten. De Vlaamse buitenlandberichtgeving wordt in sterke mate bepaald door institutionele actoren (vooral politici), maar ook burgers worden uitgebreid aan het woord gelaten. Verder konden we ook vaststellen dat Vlaamse journalisten een vrij goed evenwicht lijken te bewaren tussen knip-en-plakjournalistiek en eigen verslaggeving. Wat ons echter wel zorgen baart, is de lage brontransparantie die de onderzochte kranten voor de dag brengen, en die bovendien lijkt te zijn afgenomen tijdens de afgelopen 15 jaar. Hoewel enige mate van knip- en plakjournalistiek op basis van persberichten van niet-journalistieke actoren een onvermijdelijke en gangbare praktijk lijkt te zijn geworden, gezien de tijdsdruk waaronder journalisten de dag van vandaag moeten presteren, mag dit niet verhinderen dat journalisten transparant blijven over het bronnenmateriaal dat ze daarbij geraadpleegd hebben. De nieuwe mogelijkheden voor informatieverzameling via social media lijken nog niet te zijn doorgedrongen tot Vlaamse journalisten, maar toch is het de bedoeling van de onderzoekers om dit recente fenomeen verder te onderzoeken. Het huidige onderzoek focuste op de dagelijkse productie van buitenlandnieuws, maar er zijn al enkel cases die aangetoond hebben dat sociale media in de context van internationale berichtgeving vooral een rol kunnen spelen bij breaking news (zoals de bomaanslagen in Mumbai) of in situaties waarin journalisten of correspondenten moeilijk toegang tot informatie kunnen krijgen (zoals de protesten tijdens de verkiezingen in Iran in 2009). De studie van dergelijke cases kan ons voorlopig waarschijnlijk de meeste inzichten opleveren in de manier waarop sociale media als nieuwsbron worden gebruikt binnen de professionele journalistiek. Leuven, S. van, & Raeymaeckers, K. (2012). Journalistiek in tijden van cost cutting en Web 2.0: Een multimethodisch onderzoek van het journalistiek bronnengebruik in een veranderende nieuwsomgeving. Etmaal van de communicatiewetenschap. Leuven, 9-10 February 2012. JOURNALISTIEK IN TIJDEN VAN COST-CUTTING EN WEB 2.0 on Prezi |
James O'Shea
Zoals hij vorig jaar lachte om zijn toekomstperspectief, zo lachte hij ook om zijn rommelige verleden. Carrière gemaakt bij de Chicago Tribune, ontslagen bij de LA Times, te weinig tijd om op Harvard een echt onderzoek van de grond te krijgen, een boek in de steigers – en dan ineens dankzij enkele grote investeerders en geld van goede doelen een totaal nieuw journalistiek avontuur in Chicago. Maar waar hij nog toen nog veel meer om lachte was de directe lokale concurrentie: “Die lui bij de Sun Times of de Tribune schijten in hun broek voor mij. We komen hier lekker de boel een beetje opschudden.”
Op dat moment had CNC net een prachtige deal met de New York Times gesloten. Voor de ‘Midwest’-pagina’s van de NYT kon O’Shea de content leveren. Waarin hij, in ruil voor de broodnodige contanten, liet zien vooral in de politieke arena volop te kunnen concurreren met de beroemde lokale concurrenten.
Het heeft niet mogen baten. O’Shea in zijn afscheidsartikel:
“CNC never raised the resources to make investments in the business side of our operation that would have generated the revenue we needed to achieve our original goal – a self-sustaining news operation within 5 years.”
Juist de New York Times, het mediabedrijf dat hem twee jaar terug in het zadel hielp, concludeerde vorige week dat de aparte Midwest-editie te weinig opbrengt om deze in stand te kunnen houden. En daarmee was niet alleen CNC de das om gedaan, maar tegelijkertijd bewezen hoe risicovol het is om afhankelijk te zijn van te weinig, te toevallige of te zeer op liefdadigheidsgedachten gestoelde geldschieters. Dat er al enige tijd een vervelende discussie woedde met de belastingdienst over zijn status van ‘not-for-profit’-bedrijf, heeft daarbij ook niet geholpen.
Journalistiek moet ondernemender worden
Het démasqué van O’Shea verleidde Jeff Jarvis tot een (hernieuwde) oproep aan de journalistiek om toch wat ondernemender te worden. Leer hoe je geld moet verdienen!
“The problem is that journalists don’t know shit about business. Culturally, they don’t want to.”
Het is niet de eerste keer dat Jeff Jarvis roept dat journalisten ondernemender moeten worden. En eerlijk gezegd is het geen onverdachte bron: Jarvis heeft als uitbater en associate professor van de opleiding Entrepreneurial Journalism aan de City University van New York (CUNY) het grootste belang bij meer studenten. Maar gelijk heeft-ie.
Zakelijk gevoel
Journalisten hebben van nature weinig op met verdienmodellen. En elk toevallig aanwezig zakelijk gevoel is tot in het meest recente verleden nadrukkelijk de kop in gedrukt. Op scholen, maar ook op het werk. Gestimuleerd door het grote commercieel succes in de jaren ’70 en ’80 was het voor elke hoofdredacteur niet meer dan logisch zijn redacteuren simpelweg te verbieden ook maar een blik over de schutting te werpen. Nu die commerciële successen achter de horizon verdwijnen, komt dat gemis extra hard aan.
Juist daarom zou het zo mooi zijn als we als sector, maar ook als individuele journalisten – in loondienst, zelfstandig of in opleiding – ons alle bedrijfseconomische lessen die her en der voor het oprapen liggen, ter harte nemen. En dus met de ervaringen van CNC in de hand blijven bouwen aan de winstgevende alternatieven. In de woorden van Jarvis:
“I insist on holding students and the industry they’ll lead to the more diligent standard of true sustainability. That means profitability. There’s nothing wrong with that.”
Dit artikel verscheen eerder op DodeBomen.nl, het weblog van Bart Brouwers.